25 december 2025 | Auteur: Maartje Derckx
Bord voor je Kop
Onze oudste maakt best vaart, gaat staan op zijn pedalen en tuurt de mistige landerijen over. Ik doe mijn best hem bij te houden, de ijskoude handjes van de jongste achterop, glijden onder mijn trui. Mijn ademsnakken blaast korte wolkjes rond mijn gezicht.
Oranje lichten kondigen de intercity naar Maastricht aan. Met op de achtergrond het blauw-geel in 140 km/u, valt mijn oog op het broodnodige bord met de tekst: “Lijkt je leven uitzichtloos? Bel me, ik luister.”
Nadat de intercity in de mist verdwijnt, draait hij zijn hoofd naar rechts. Met de slagboom gaat ook het vragenvenster open. ‘Wat is uitzichtloos? En wie luistert als je belt?’ Alsof hij mijn buikpijn voelt legt de kleinste blonde broer beide ijskoude handjes op mijn navel.
Het voelt als gisteren dat we een wandeling maakten. We praatten over huiswerk, zijn vriendin, en zijn nieuwe scooter. Maar we spraken ook over de vlieg die mijn collega doodde, omdat die gewoonweg irritant was. Hij vroeg me of ik vond dat dit organisme ook recht van leven had. Ik had er eigenlijk nooit zo over nagedacht. ‘Wie zijn wij om over het lot van een ander te beslissen?’ Ook daar viel ik stil. Het was alleszeggend. Over het wereldse gewicht dat hij al geruime tijd met zich meedroeg, en waarin gesprek noch therapie ook maar iets van verlichting leken te bieden. Na het zoveelste gesprek met de psychiater maakte hij kenbaar dat hij een stil en onbewaakt moment afwachtte. En daar wilde hij het graag bij laten.
De primaire drijfveer van ons als zijn hulpverleners was zijn situatie op z’n minst meer leefbaar te maken. Dat probeerden we, tegen beter weten in, door hem te zien en te horen, samen zijn gevoelens te verkennen. We trachtten tijd te kopen, last te delen. We gebruikten elk gepast moment om hem te zeggen dat hij ertoe deed. De diep verankerde woorden van de doorgewinterde psychiater zongen rond in mijn gedachten: ‘Als je vijftig jaar aan psychologisch onderzoek samenvat, is er overweldigend bewijs voor wat men minstens nodig heeft bij psychisch lijden: een ander mens.’ Daarmee doelde hij op menselijke betrokkenheid, omkijken naar elkaar.
‘Dat bord is ervoor als je hoofd je vertelt dat je niet meer wil leven en je het uitzicht op beter worden kwijt bent. Als je dat nummer belt, is er iemand die je probeert te helpen.’
‘Zodat je niet op de rails gaat liggen, zoals die meneer in de krant?’ De armpjes om mijn buik lijken te verstrakken, net als mijn nekspieren. Soms vergeet ik dat hij negen is en de aftakeling van zijn onbevangenheid is ingezet.
‘Wie ’t eerste thuis is!’ Hij maakt alweer vaart, gaat staan in zijn pedalen. Hij kijkt om naar me. Blij toe. Ik druk ze tegen me aan, de inmiddels warme handjes van de jongste. Ik werp nog een laatste blik op het spoor, dat zovelen bijster lijken te zijn. Waar tussen ballaststenen en een ijzeren hoofd, rumoer en stilte botsen, als we het omkijken naar elkaar verleren.
Maartje Derckx