28 maart 2026 | Auteur: Ton Adriaens
‘Rinus van De Tos’ Harde werker én levensgenieter!
Het is een aaneenschakeling van anekdotes als Rinus Smeets zijn levensverhaal vertelt. 71 is hij inmiddels maar zijn pretoogjes verraden de jeugdige ondeugd die nog steeds in hem zit. Meestal schaterlachend, dan weer bloedserieus memoreert hij zijn ervaringen in de horeca. Vaak ook met de toevoeging ‘mer det mojje d’r neteurlik neet in zette’ als het te persoonlijk wordt.
Maar wat is of was Rinus nog meer? Zanger, drummer, voeger, voetballer, prins carnaval; hij was het allemaal. Leren was niet zijn ding. Liever was hij praktisch bezig. Hij werkte bij Johnny Hoes, tricotagefabriek De Bera, de Spoorwegen en als zelfstandig kroegbaas in café De Schuur aan de Maaspoort in Weert.
In dit interview krijgt u een inkijkje in het leven van deze markante Weertenaar die als ‘Rinus van De Tos’ samen met zijn vrouw May de schakel vormde tussen de oude en de nieuwe generatie uitbaters van restaurant De Tos.

“Na de lagere school ben ik naar de ambachtsschool gegaan maar die heb ik niet afgemaakt. Schoolbanken bevielen mij niet zo goed en aan leren had ik een hekel. Als 15-jarige ging ik werken bij Johnny Hoes. In de kelder van de winkel tegenover het treinstation in Weert werden platenhoezen gedrukt en gelijmd en daar heb ik enkele maanden aan meegewerkt.
Daarna ben ik aan de slag gegaan bij De Bera waar ik werd opgeleid tot machinaal breier. Maar ook dat beviel me niet echt en na een jaar nam ik ontslag. Ik begon als voeger bij Fons Steuten, de legendarische Weerter wielrenner die zelfs nog ooit in de Tour de France reed. Toen Fons enkele weken ging fietsen in Lugano leende hij mij uit aan het voegersbedrijf van Jan en Jack Smeets. Daar beviel het mij zo goed dat ik niet meer terug ben gegaan naar Fons. Ik regelde dat mijn beste vriend, Jac Verhappen daar ook kon beginnen. Doordeweeks was dat hard werken maar op vrijdag, zaterdag én zondag gingen we op mijn Puch, of al liftend, naar de roemruchte bar-discotheek Santa Domingo in Nederweert.

Bij Jan en Jack heb ik met veel plezier gewerkt tot ik werd opgeroepen voor militaire dienst. Na mijn diensttijd ben ik bij de Spoorwegen begonnen. Dat was binnen onze familie bijna traditie. Mijn vader, een oom en mijn beide opa’s hebben ook bij ‘het Spoor’ gewerkt.
Verliefd op May
Na mijn diensttijd ging ik in Weert op stap. Een van de kroegen waar ik vaak kwam was café ’t Pumpke aan de Maaspoort. Daar leerde ik May kennen en kregen we verkering. Haar vader Tjeu kwam haar altijd ophalen want hij wilde niet dat zij ’s avonds laat nog met de fiets naar huis ging. Zij woonden in het bosgebied achter De Tos. Het was de tijd dat ik lang haar had maar na een weddenschap had ik mijn kop kaal geschoren. Toen moeder Toos aan Tjeu vroeg ‘Waat waasj vur eine?’ antwoordde hij: ‘Gèster zoog ich d’r eine met unne bos haor en vandaag zoog ich un kaal koônt.’

Café De Schuur
In juni 1979 trouwden May en ik en namen we café De Schuur over, ook aan de Maaspoort. Die straat was destijds hét uitgaanscentrum met zeven of acht kroegen. Ik had me altijd al aangetrokken gevoeld tot het werk in de horeca, nam ontslag bij de spoorwegen en samen hebben we vier en een half jaar De Schuur uitgebaat. Het was hard werken maar ook veel plezier en gekkigheid. Zo ben ik een keer met ‘de witte van Sien’ van café Het Gevelke voor een gulden en tien cent hartstikke zat geworden. Hij kwam bij mij een pilsje drinken, rekende af, en ik ging met diezelfde 1 gulden 10 met hem mee om bij hem een pilsje te drinken. Dat ging de hele avond zo door. Resultaat: allebei knoerzat voor 1 gulden 10.
Ook heb ik eens mijn stamgasten ontvangen met een blauwe pruik op. Dat was lachen, maar wat zij niet wisten was dat ik mijn hoofd weer eens kaalgeschoren had. Toen ik later die avond die pruik aftrok vielen hun monden open van verbazing. Zulke dingen, daar had ik lol aan.
In die tijd kregen we ook twee dochters, Marina en Kristel. In 1984 stapten we over naar het familiebedrijf De Tos. Daartoe werd een vennootschap onder firma (vof) opgericht.”
Waar kwam jouw voorliefde voor de horeca vandaan?
“Dat is een apart verhaal. Ik had een oom en tante die in Putte bij Antwerpen woonden. Als klein manneke bracht ik daar veel vakanties door. Ik mocht daar alles! Ze hadden een bakkerij met winkel en ik hielp ze doordeweeks met brood rondbrengen. In het weekend hielden ze wel van gezelligheid. Tot twee uur ’s nachts ging ik met mijn oom Frans en tante Mietje de kroeg in. In café ‘De Verkeerde Wereld’ stond een orgel en er werd gedanst. Mijn ouders hebben het nooit geweten maar dat leven maakte diepe indruk op mij, die gezelligheid is mij altijd bijgebleven.

Tante Mietje had zelf geen kinderen en is jong weduwe geworden. Maar ik ben er altijd blijven komen en we belden regelmatig; we hadden een bijzondere band. Toen ze hulpbehoevend werd, hebben wij haar naar hier gehaald en is ze uiteindelijk op 96-jarige leeftijd gestorven in zorgcentrum Rust in Roy.
Wegrestaurnt De Tos
Het familiebedrijf bestond uit Tjeu en Toos, May en ik, en Mays zus Irma met haar man. Ook dat was weer hard werken. We werkten in twee ploegen van zes uur in de ochtend tot tien uur ’s avonds. Chauffeurs die op de parkeerplaats in hun cabine overnachtten werden vanaf vijf uur gewekt terwijl Tjeu en Toos ’s avonds nog tot in de late uurtjes achter de tap en in de keuken stonden. Maar ook werkvolk, op weg naar een klus in het zuiden, of vakantiegangers die vanuit het noorden al uren onderweg waren stopten bij De Tos. Wij waren toen in heel Nederland bekend en waren van maandag tot en met vrijdag opgeteld 99 uur open!

Bij het wegrestaurant maakten we van alles mee, leuke maar ook trieste dingen. Vele ongelukken aan de drukke weg of bij het spoor. Ook hebben we bekende mensen mogen ontvangen. Zo was Mark Rutte ooit bij ons in de zaak om een uitsmijter te eten. Zijn geblindeerde auto stond uit het zicht achter het restaurant. Minister van Mierlo was eens hier te gast en Pieter Storms van het tv-programma Breekijzer heeft hier twee keer met zijn hele crew gegeten.
Geleidelijk liep het aantal chauffeurs dat De Tos bezocht terug. Dat had te maken met het toenemend aantal fastfoodketens langs de snelwegen maar vooral met de tachografen in de vrachtwagens die alles registreerden. Het ‘vrije leven’ van de vrachtwagenchauffeur werd steeds verder beperkt. Als service naar de chauffeurs openden wij ‘s morgens heel vroeg. Ze konden hier gratis douchen, tandenpoetsen, kopje koffie drinken. Maar steeds vaker vertrokken er chauffeurs voor dag en dauw om in de loop van de dag niet in de problemen te komen met het rijtijdenbesluit. Het was niet lonend meer om vanaf zes uur open te zijn.

In 2011 gooiden wij het over een andere boeg: We bleven gesloten tot vier of vijf uur ’s middags en transformeerden De Tos van truckerscafé dat in de weekends gesloten was naar modern restaurant. We hebben toen het pand totaal gerenoveerd. Onze dochter Kristel heeft de hotelschool in Tilburg gevolgd en is in 2011 als partner ingestapt. Waren het in de chauffeurstijd eenvoudige maaltijden (soep, uitsmijter, balletje gehakt, biefstuk en chocolade of vanillepudding na), Kristel had het koken in de vingers en kwam met nieuwe gerechten op een uitgebreide menukaart. De overgang naar de nieuwe generatie is altijd heel soepel verlopen. Maar zowel May als ik zijn nog steeds vaak bij De Tos te vinden voor wat hand- en spandiensten.

Duur en Betje Houben namen in 1935 het achter het spoor gelegen café Bouman over. Vooral mensen uit Leuken en Swartbroek waren er stamgast. De naam van het dorpscafé werd al snel omgedoopt tot ‘d’n Tös’, een verwijzing naar de ligging tussen (tösse) twee peelgebieden: de Roeventerpeel en de Kootspeel. In 1951 verhuisden Duur en Betje naar de Beekstraat en werden eigenaar van café-zaal de Apollo.
Hun zoon Tjeu en zijn vrouw Toos namen in 1959 het afgelegen dorpscafé over en ontwikkelden het tot wegrestaurant De Tos met een grote populariteit onder vrachtwagenchauffeurs.
Tjeu overleed helaas al op 68-jarige leeftijd. Dochter May bouwde daarna, samen met haar man Rinus Smeets, voort op het succes van De Tos.
Nu is het aan Kristel Smeets -de vierde generatie van dit familiebedrijf- om het restaurant te runnen. De vijfde generatie dient zich zelfs al aan: kleindochter Disney Berben is ook al werkzaam in het familierestaurant. Vorig jaar vierde restaurant De Tos het 65-jarig jubileum.
Levensgenieter
Ik heb altijd hard gewerkt maar ben ook een levensgenieter. Van het leven moet je een feestje maken en ik ben altijd in voor een geintje. Een van mijn hobby’s is het verzamelen van klassieke oldtimers: auto’s, motoren en bromfietsen. Voor de grap ben ik een keer met een mini-crossmotor van voor tot achter door het restaurant gecrost, de gasten stomverbaasd achterlatend.

In 1998 werd ik uitgeroepen tot prins van de Spoeëkejaegers. Wij woonden destijds in Swartbroek. Met gevolg en kapel bezochten we natuurlijk ook De Tos. Vanaf het moment dat wij binnenkwamen was de drank voor onze gasten gratis. Nou dat lieten de chauffeurs zich geen twee keer zeggen. Het werd een dolle boel met feesthoedjes en polonaises door de zaak. Normaal vertrokken ze heel vroeg maar de volgende ochtend stond de parkeerplaats om negen uur nog vol vrachtwagens. We maakten de afspraak dit feest een jaar later nog eens te herhalen. Dat sprak zich rond onder chauffeurs en daardoor liep het in 1999 uit de hand. Er kwamen chauffeurs uit het hele land die behoorlijk afweken van hun route en daar waren de bazen niet blij mee. Een derde jaarfeest kwam er dus niet meer van.

In Swartbroek was ik bariton van mannenkoor Eendracht en ik heb jaren gezongen bij De Limburgse Jônges, een amateurzanggroep die meerstemmig liedjes zingt in het Limburgs plat. Ook was ik lid van de voetbalclub. De ‘derde helft’ van ons veteranenteam liep soms wel eens uit de hand. Maar ook in onze straat was het een en al gezelligheid. Met mijn buurman Jan Geelen zat ik dan voor de gevel van ons huis een pilsje te drinken. Voordat we het wisten stond de halve buurt bij ons op de stoep. Zo ontstonden de ‘gevelfeestjes’ die met regelmaat gehouden werden in onze straat.

Drummer bij Tony’s T-Mex
Drummen is altijd mijn passie geweest. Als kind drumde ik thuis al op de houten keukenstoelen waarbij ik een koperen granaathuls als een soort bekken gebruikte. Als tiener kocht ik mijn eerste drumstel. Met enkele vrienden vormden we een bandje, repeteerden af en toe maar van echte optredens is het nooit gekomen. Mijn ‘carrière’ als drummer liep op niets uit.

Tientallen jaren later waren May en ik met vrienden op vakantie in Thailand en daar speelde een bandje. Hoe het precies verliep weet ik niet meer maar op enig moment mocht ik de plaats van hun drummer innemen bij het nummer Cocaine van J.J. Cale. Ik bleek het nog niet verleerd. Een vriend uit ons gezelschap maakte mij erop attent dat de blues rockgroep Shakespeare’s Nightmare uit Weert een drummer zocht. Terug in Nederland was het contact snel gelegd en ben ik in die band gestapt.
Drie jaar geleden werd ik door Ludo Linssen, de bassist van Vido, benaderd om samen met hem, Bèr Donkers en Ton Smeets in een nieuwe band te stappen: Tony’s T-Mex. Leadzanger Ton Smeets is een volle neef van mij en hij heeft dat typische tex-mex stemgeluid dat ook zo kenmerkend is in de muziek van The Mavericks. Ik heb beide bands nog een tijdje gecombineerd maar ben inmiddels bij Shakespeare’s Nightmare gestopt omdat het toch wat te veel werd.

Ik ben 71 en heb het nog hartstikke druk met van alles en nog wat. Ik geniet van elke dag. Vooral van de kleine en eenvoudige dingen. Mijn rijkdom is mijn gezin. Samen op vakantie gaan, dat is mij genieten voor mij.