22 november 2025 | Auteur: Maartje Derckx
Manticipatie
Ze had een zesjarige dochter. De vader van het mooie meisje had zich al vroeg in haar leven lafjes aan zijn verantwoordelijkheden onttrokken. Sindsdien leefde ze als krachtige alleenstaande moeder samen met het meisje. De man, en eigenlijk alle mannen, hadden sindsdien voor haar afgedaan. ‘Ze lopen alleen hun pik achterna’ en ‘Die zijn niet in staat tot echte liefde,’ klonk het vastberaden. ‘Toch?’, haar treinvriendin knikte hevig. Even wierp ze haar strakke blik op mij, daar in die vierzits, maar ik was geenszins van plan mijn persoonlijke mening over de kwestie te delen.
Hoewel ik geen moment twijfelde aan haar beleving, zou ik die toch graag laten waar die hoort, bij een beperkt percentage van de mannen (en vrouwen) op deze aardbol.
Als ik vroeger weleens ruzie maakte met mijn vader, bemoeide mijn broer zich wél met de kwestie: ‘Je leest hem verkeerd,’ vond hij. Toen ik jaren later het boek ‘The 5 Love Languages’ van Gary Chapman las, over de vijf verschillende manieren van het uiten van liefde, begreep ik broer’s bijdrage pas en begon ik die signalen van liefde ook als zodanig te herkennen. Sommigen tonen hun liefde in woorden, anderen doen dat middels het geven van cadeaus, of in de vorm van lichamelijke aanraking. Mijn vader toont zijn liefde het vaakst door voortdurende hulpvaardigheid. ‘Acts of Service’, zoals Chapman die liefdestaal noemt in zijn boek.
Ik voelde me warm en koud tegelijk. Mijn neus deed pijn, mijn lip bloedde. De eerst zo witte badkamer had nu meer weg van een crimescene. En hoewel het toch goed mis was, was er van een misdrijf geen sprake. Wel van een miskraam. ‘Wat is er geb…? Schat, hoor je me?’ Mijn man vouwde zijn warme handen om mijn koude lichaam dat tegen de glazen douchedeur aan was gevallen, maar dat hij door mijn zwakte met geen mogelijkheid kon verplaatsen.
Ik hoorde hem bellen, eerst naar mijn vader, daarna naar de spoedpost. Er bleek een discussie voor nodig om de ernst over te brengen. De dienstdoende arts die het gehavende tafereel niet veel later aantrof, liet een ambulance komen. Het volgende moment lag ik op een brancard. Het plafond draaide, er dromden mannen op. ‘Blijf bij me,’ zei er één. Een ander gezicht dat opdoemde was van de man wiens handen van mijn geboorte een zachte landing maakten. Hoewel overmand door emoties, rechtte hij zijn rug. Hield met zijn linkerhand een van de drie infuuszakken omhoog. ‘Ha Pap, bracht ik zachtjes uit.’ ‘Ha Maart’, klonk het liefjes. ‘Blijf bij me, hoor je me?’ Warme broederlijke handen op mijn klamme wangen hielden me bij de les.
Er waren zes mannen voor nodig om de brancard het jaren dertig trappengat af te laten dalen. De witte knokkels omvouwden een van de handgrepen. Met zijn andere hand hield hij nog altijd de infuuszak omhoog. Ik weet niet wat erin zat. Ik denk zo’n zevenhonderdvijftig milliliter geconcentreerde vaderliefde.
‘Blijf bij me,’ zei de broeder opnieuw, met op de achtergrond gillende sirenes. En zo hield hij me bij de les. De les die ik leerde over de taal van onvoorwaardelijke liefde.
Maartje Derckx