Voor het oprapen

Een excursiereis per bus is de uitgelezen kans om buitenissige menselijke gedragingen te observeren.
De reacties van medepassagiers op de ‘grappen en grollen’ van de chauffeur waren een goede indicatie van het vlees dat wij in de kuip hadden gedurende twaalf dagen ‘Noord-West Spanje, de schatten van Galicië’. Het merendeel schaterde van het lachen toen onze chauffeur uitleg gaf over het toiletgebruik aan boord: “Als u het deurtje opent moet u hélemaal dóórlopen tot achteraan en dáár vindt u de wc.” De toon was gezet.

Chauffeur Wim was een 56-jarige vrijgezel uit Hengelóó. Met die trage langgerekte óó en veel kreunend …’enneh’ … sprak hij zijn passagiers toe zoals een kleuterjuf haar koters het sprookje van Klein Duimpje vertelt. Loire sprak hij uit als Lóó-waare. Hij strooide met niet-wetenswaardigheden die ik  als bekend veronderstelde bij de grootste onnozelaars in onze bus. Zo legde hij de betekenis van ‘tol’ uit, dat Frankrijk ‘tolwegen’ heeft en wat ‘tolpoorten’ zijn. Zelfs zette hij omslachtig uiteen dat je in het hotel geen sleutel krijgt maar een kaartje dat je voor het elektronisch slot moet houden, bij ‘groen’ de deur kunt ontgrendelen en het kaartje dan in de gleuf aan de wand moet steken. “Anders heb je geen stróóóm”.

Wat onze medepassagiers betreft: de komische, bizarre of ergerlijke voorvallen lagen voor het oprapen. En ze waren er allemaal: de altijd-alles-beterweter; de paradijsvogel in de kleurige kleding; de ‘namens de groep’-spreker; de fotograaf die alles, maar dan ook alles, liggend op de grond (“vanuit kikkerperspectief”) fotografeerde.
Een citaat van een rechtse rakker uit Zundert wil ik u niet onthouden:
“… en bij ons lossen de mensen dàh zelf op. En dan kijkt de polisie d’n andere kant op. Snap-de wàh ik bedoel? En zo moet ut, en nie anders!”
Tijdens een diner in ons hotel zong een bus Duitsers ‘Ein Prosit, ein Prosit der Gemütlichkeit ‘. Een bejaarde Haagse uit de Schilderswijk reageerde met: “Wat in un volluk in zit kraig je d’r nie meer uit.”

Maar ook onze eigen misverstanden en miskleunen leuken achteraf onze vakantieherinneringen op.
M. is van het plannen. Zij instrueerde mij rechts in de bus te gaan zitten, ‘want als we langs de kust rijden wil ik daar het beste zicht op hebben’. Ik stapte als eerste vóór in de bus, hield rechts aan en koos halverwege een plek. M. keek me schamper aan en dirigeerde me direct naar de andere kant: ‘Altijd vanuit de bus richting chauffeur je plaats bepalen!’ En ja dan zat ik links.

Mijn pijnlijkste stommiteit?
Een licht briesje door het openstaande raam zorgde voor een hinderlijk geklapper van onze hotelkamerdeur. Dat dacht ik op te lossen door er een papieren zakdoekje onder te klemmen. Het zakdoekje waaide echter meteen de gang op. Ik zette er twee stappen achteraan, achter mij viel de deur in het slot en ik stond in mijn onderbroek op de gang. Voordat M. reageerde op mijn geklop trokken enkele andere hotelgasten al hun deuren open. Ik bleef naar onze kamerdeur staren. Seconden leken minuten.