Lotsverbondenheid van misdeelden

Toen ik in de revalidatieperiode zat na een knieprothese maakte ik dagelijks een flinke wandeling over de singels in Weert. Dat leverde opmerkelijke ontmoetingen op. Door het lopen met een kruk word je door de buitenwereld in de categorie ‘hulpbehoevenden’ geplaatst; mensen die wat extra aandacht of een vriendelijk woord nodig hebben. Een mankepoot wekt medelijden op.

Ik werd door volstrekt vreemden aangesproken, iets wat je als gezonde stapper niet snel overkomt. 
Een man met een wandelstok knoopte een gesprek aan. Hij bleek negentig jaar, had een nekhernia en reed nog auto. Van die dingen.
Een mevrouw stond nog op de rijweg naast haar auto toen ze me toeriep: ‘Ik ken u toch ergens van?’ Nog voor ik kon reageren voegde ze eraan toe: ‘De IJsberen?’ 
‘Nee mevrouw, ik ben niet bij de IJsberen’
‘De sociëteit dan?’
‘Nee, ben ik ook geen lid van.’
Intussen stond ze al naast me op de stoep en werd de situatie enigszins ongemakkelijk.
‘Goh … meende toch zeker … uh … jeetje ik moet natuurlijk wel een parkeerbonnetje pakken, hi hi’ en ze liep weer bij me vandaan.
Regelmatig kwam ik dezelfde wandelaar tegen. Al bij de tweede ontmoeting stak hij mij een hart onder de riem met de opmerking dat hij vooruitgang zag in mijn lopen. 

Mededogen uitte zich ook bij de autobestuurders die al het rempedaal indrukten als ik het zebrapad nog niet eens bereikt had. Meermaals werd ik met een vriendelijk handgebaar uitgenodigd op mijn gemak over te steken. Hoe anders dan de vele keren dat ik met één been op de rijbaan bijna overreden werd door een jakkerende automobilist. 

Net zoals motorrijders met een stoere armbeweging een verbondenheid met elkaar onderstrepen, begroeten kruklopers elkaar onderling ook nadrukkelijk. Omdat de vaart er niet zo in zit als bij de motormuizen maken wij eerder een praatje:
‘Ook een nieuwe knie?’ ‘O, een heup.’  ‘Gaat het goed?’ ‘Waar geopereerd?’ 
Wij tijdelijk gehandicapten begrijpen elkaar en wisselen ervaringen uit.  

De lotsverbondenheid strekt zich zelfs uit naar de verschoppelingen aan de randen van onze maatschappij. De zwervers en outcasts die je normaal gesproken ontwijken, laat staan dat ze je vriendelijk bejegenen. Zo werd ik door een jongeman op een aftandse fiets, blikje Red Bull in de hand, smoezelig gekleed, in het voorbijgaan toegeroepen met ‘Blijven lopen maat!’ 
Ze deden mij goed, die bemoedigende woorden uit onverwachte hoek.

Gelukkig begroeten wij ‘provincialen’ elkaar nog. In de Randstad word je verbaasd of wantrouwend aangekeken als je iemand een goede morgen wenst. 
Vorige week donderdag stapte ik met een welgemeend ’morgen’ de overvolle wachtkamer van het priklab van het SJG binnen. De meeste wachtenden knikten vriendelijk of mompelden ook een begroeting. De ontnuchterende reactie van een geaffecteerd sprekende, zeer met zichzelf ingenomen hork verraste mij. Veel te luid reageerde hij met: ‘Een goede ochtend! Morgen is het vrijdag.’
‘Geef mij maar de fietsende junk’, was mijn eerste gedachte.