Dialect in het onderwijs

Sinds 1997 is het Limburgs een erkende regionale taal. Dat betekent dat de Nederlandse overheid actief beleid moet voeren om de taal te stimuleren. Deze ontwikkeling is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Je kunt ‘de gezét’ niet opslaan of het Limburgs dialect wordt gepromoot. De provinciale subsidiepotten worden geopend om culturele projecten en onderwijsprogramma’s te ontwikkelen.
Maar is dat wel nodig? Ieder dorp heeft zijn eigen dialect, moet dat één Limburgse taal worden zoals het Fries? Gaat het niet ten koste van de taalontwikkeling in het Nederlands?
Wetenschappelijk onderzoek van o.a. prof. dr. Leonie Cornips toont aan dat het Limburgs als tweede taalsysteem voordelen met zich meebrengt. Limburgs-Nederlandstalige kinderen uit groep 4 doen het wat begrijpend lezen en spelling betreft beter dan eentalig-Nederlandstalige kinderen. En de woordenschat in het Nederlands van Limburgse kinderen van 5 tot 9 jaar ligt hoger dan het landelijk gemiddelde.  Ook op sociaal-emotioneel gebied heeft het Limburgs, als erkende regionale taal, positieve effecten: meer zelfvertrouwen en een open houding.
De variaties in woordsoorten en klanken maken het Limburgse dialect uniek. Er zijn meerdere dialecten waarin klankverschil leidt tot betekenisverschil. Met name het Weerts heeft veel klanken die de betekenis van een woord kunnen veranderen. Helaas blijkt dat het Limburgs steeds minder wordt doorgegeven. 
Kan meer aandacht voor het dialect in onderwijs en voorschoolse educatie, voor het creatief spelen met taal en klanken, een bijdrage leveren aan geletterdheid?

Birgit Op de Laak

Birgit Op de Laak (64), burgemeester Nederweert

Daar ben ik van overtuigd en onderzoek wijst dat ook uit. Meertaligheid is een pluspunt.  Als burgemeester van Nederweert én bestuursvoorzitter van het Hoes veur ’t Limburgs zie ik onze Limburgse taal als aanvulling op het Nederlands. Spelen met woorden en klanken helpt kinderen en volwassenen bewuster luisteren, spreken en lezen.
Dat elk dorp een eigen kleur heeft, zie ik als rijkdom. Het Ni-jwieërts klinkt anders dan het Wieërts; dat hoeft niet te veranderen in één uniforme ‘Limburgse taal’, zoals het Fries. De kracht zit in die lokale klank. Vaak hoor je uit welk dorp iemand komt: zó specifiek is die klankkleur.
Dat dit onderwerp leeft, blijkt dicht bij huis. Onze kinderraad van Nederweert koos dialect als thema om het Limburgs onder de jeugd levend te houden. “Omdat ik me het beste kan uiten in mijn eigen taal”, was de hartstochtelijke oproep van een van de leden van de kinderraad. Een duo bevlogen vrijwilligers verzorgde al korte, interactieve dialectlessen op alle basisscholen in de gemeente Nederweert. Dat is de beweging die we willen steunen: initiatief van onderop, waaraan wij als bestuur ruimte geven.

Investeren in dialect op school en in de voorschoolse educatie is geen nostalgie, maar een investering in geletterdheid, zelfvertrouwen en een open houding. Door daar actief een bijdrage aan te leveren, ‘plat kalle’ door te geven, geven we kinderen taal én identiteit mee. Die keuze is voor mij niet moeilijk.

Frits Nies

Frits Nies (72), vuuërzitter Veldeke Wieërt

Zörg um oeës Limburgs és al zoeë aod as Veldeke Limburg (sieër 1926). Erkinning as regionale taal in Dael II van ’t Europees Handvest heulptj dao neet völ aan. Det és ângers as ’t Fries det erkindj és in Dael III van det Handvest, ónger mieër umdet ze dao al ruum 200 jaor ’t Standaardfries hebbe. Vae hebbe gein Standaardlimburgs, mer waal hóngerte lokale dialecte, zjuust wi-j de Frieze. Di-j mótte vae beware en doeërgaeve. Det kân neet in oeës riglementair óngerwiês, want dao geltj ’t Algemeen Nederlands (AN) as standaardtaal.

Vae moge al bli-j zeen as de lieërkrachte van noow ’t AN nog good behieërse, laotj staon oeës dialect. Moôdertaal (det hetj neet vör niks zoeë) lieërdje ónger de rokke van eur mam; thoês dus. AN lieërdje op schoeël. In oeëze regio, métte klânke van ’t ‘Chinees van Limburg’, spraekdje dan al twieë tale. En mieërtaligheid geuftj neet te misse vuuërspróng in cognitieve gengigheid; di-j wiêsheid és al aojer as prof. Leonie Cornips.

Waat waal good és en wêrktj roond óngerwiês, zeen initiatieve van ’t Hoes veur ’t Limburgs um wichter mét mieërtaligheid te laote spuuële in ‘voorschools onderwijs en kinderopvang’. Bevuuërbieëldj in preject Zjuulke, woeë ouch Veldeke Wieërt aan mejwêrktj. Enne schoeële zoeëje mieër eur bést moge doon umme wichter boete de lés, oppe spuuëlplaats eur moôdertaal te laote uutwissele, ónger mekaar en métte oeëverbliêfhäölp. Alle bitjes hêlpe.

Marieke Guelen

Marieke Guelen (64), (voorheen) logopedist

Aandacht voor dialect in het onderwijs vind ik superbelangrijk!
Vanwege mijn vorige beroep, dat van logopedist, zal taal mij altijd enorm blijven boeien. Ik heb jarenlang voorlichting gegeven op peuterspeelzalen en basisscholen over Tweetaligheid.
De inleiding van dit artikel benoemd al dat tweetaligheid een verrijking is, kinderen die meertalig opgevoed worden, hebben een grotere woordenschat en doen het beter op school. Ik ben geboren en opgegroeid in Nijmegen, daar kent men geen eigen taal. De mensen spreken met een accent, een zuidelijke tongval. Dat is de rijkdom van Limburgers, hier bestaat een officieel erkende regionale taal. Toen ik hier kwam wonen viel mij op dat Limburgers die het dialect goed beheersen ook perfect Nederlands spreken. Dit in tegenstelling tot Nijmegenaren waar veel duidelijker hun accent hoorbaar blijft.  
Dat betekent niet dat elke ouder nu opeens meerdere talen met zijn of haar kind moet gaan spreken. 

Uitgangspunt is dat je met je kind de taal spreekt die het dichtst bij je hart ligt, je moers-taal. Dat geldt voor welke taal dan ook, dus ook voor het Limburgs.
Voor het onderwijs de belangrijke taak om ouders hier goed over voor te lichten en ook op school aandacht te geven aan de Limburgse taal en -cultuur.