Bezige bij zit nog vol ideeën…
Carien Moonen:
Ze is verzot op chocola, wil alles bewaren,
doet niets liever dan organiseren, is huiselijk,
zorgzaam en spontaan. Ze woont samen met
drie leuke mannen… waarvan er gelukkig
twee haar zoons zijn. Ze kent de verschillen
tussen bokken en geiten en haat ‘macho’s.’
Carien Moonen: een bevlogen type dat moei-
lijk te vangen is in tweeduizend woorden.
En nog wat: Her ‘style…makes the ‘difference!’
Thoear
Carien heeft slecht geslapen. Normaal is ze met zeven
zevenklappers niet wakker te krijgen, maar de voorbije
nacht was haar waakvlammetje te zeer bezig met wat
ze allemaal kwijt wilde in dit verhaal. Zelfs ’s nachts
organiseert ze. Carien: ‘Het is niet zo gek dat ik in de
muziek terecht gekomen ben want ik ben in Thoear
(Thorn) geboren. Op 6 juni 1965. Thorn ademde mu-
ziek en doet dat nog steeds. Als ik het liedje ‘Het Dorp’
van Wim Sonneveld hoor, zie ik ‘Thoear van vreuger’
zo voor me. Die kar die ratelt op de keien …klinkt nog
na in mijn oren. Die TV-serie ‘Dagboek van een her-
dershond’ deed me ook altijd aan Thorn denken. Die
witte vakwerkhuisjes en die a opende paadjes, rich-
ting de beek, dat hadden wij ook. In Thorn hadden ze
ook zo’n kapelaan. Een hele knappe vent en zeker niet
zo’n ‘celibaatfanaat’ als die TV-kapelaan. Ik ben ook
nog eventjes bij de harmonie geweest, bij de ‘geiten.’
Dat moest van oma’s kant. Als je het waagde om bij de
‘bokken’ te gaan werd je uit het testament geschrapt.
Ik speelde klarinet maar op zeker moment ging ik met
buikpijn naar de repetities. Als je ook maar één nootje
onzuiver aanzette had je meteen tientallen priemende
ogen in je rug. Maar ik heb nog steeds wat met die
muziek en wordt er zelfs spontaan emotioneel van. Pas
nog, op het feest van Bèr Moonen kwam de harmonie
van Nederweert een prachtige serenade brengen. Nou,
dan sta ik vijf minuten tranen weg te slikken.”
‘Heitje voor een karweitje’
”Ik verdiende mijn eerste centjes met deurknoppen
poetsen. Iedereen in Thorn had wel een koperen deur-
knop of brievenbus aan de voordeur, dus gingen wij
met busjes koperpoets de deuren langs. Daarvoor
had ik al baantjes in de horeca. Als negenjarige liep
ik al rond in de bediening met een wit half schortje. Ik
beurde een gulden vijfentwintig per uur, maar de fooien
waren zeker het dubbele. Ik had ook een eigen hoekje
waar ik sorbetijs mocht verkopen. Het was niet meer
dan roomijs met een scheutje Seven-up of mierzoete
ranja, maar het kleurige rietje met parasolletje maakte
het drie keer zo duur. Van school herinner ik me vooral
het klooster Grueneberg van de nonnen. Daar liep altijd
een angstaanjagende zwerver rond die op het klooster
20