wagges effe
Zijn bruine ogen keken me verlangend aan. “Zullen we het toch nog een keer proberen?” vroegen ze.
Ik twijfelde. Ik wist niet of het wel verstandig was. Toch trok ik mijn wollen jas aan, mijn zelfgehaakte
muts-met-bloem over m’n oren, stak mijn handen in m’n handschoenen en trok de wandelschoenen aan.
Daar gingen we. Tot precies aan het einde van onze oprit kwamen we, toen ging het niet meer. Met voch-
tige ogen keek hij me aan en we gingen terug naar binnen. Samen met iets lekkers op de bank, terwijl ik
door zijn donkere haren woelde.
Jarenlang slenterden we meerdere malen per week lachend, onbezonnen en zorgeloos over het ‘verlief-
den laantje’ achter de Minderbroeders door, langs de Zuid-Willemsvaart. Als het regende liepen we over
de Biest terug naar huis. Maar vaak staken we de Biesterbrug over en liepen we door het hoge gras langs
de Noordkade naar de Stadsbrug. Ooit viel hij door zijn onbezonnen gedrag in het kanaal, waarna ik hem
samen met een toesnellende Noordkadebewoner weer op het droge hielp.
Bij zonnig weer slenterden we daarna langs de binnenrand van de Wilhelminasingel naar de Langstraat
waar we links afsloegen en dan uitkwamen op een terras op de Nieuwe Markt: ik een groene thee, hij
steevast een halve liter water.
Toen hij nog jong was, veel jonger dan het moment op de bank, wond hij iedereen zó om zijn vinger. Als
we op donderdagavond door de sfeerverlichte binnenstad liepen, omdat we dat allebei zo gezellig von-
den, waren er mensen bij die breeduit lachend naar hem toe liepen, hem kirrend knuffelden en zeiden
dat hij zo mooi en zo lief was. En zo stoer ook, met z’n snor. Ik trots natuurlijk, maar ook wel een beetje
jaloers. ‘Hij is van mij’, dacht ik dan, ook al wist ik dondersgoed dat, wat er ook zou gebeuren en hoeveel
aandacht hij ook van anderen kreeg, hij altijd met mij mee naar huis zou gaan.
We maakten ook vaak ruzie, hoor. Als hij er weer eens plotsklaps vandoor ging omdat hij meende dat hij
zijn zelfverworven vrijheid wel aan kon. Soms bleef hij wel een half uur weg, mij in verwarring achterla-
tend. Of als de kinderen huilden en hij daar niet tegen kon en ook ging huilen. Dan zette ik hem wel eens
zonder pardon in de bijkeuken om af te koelen.
Ook was ik eens heel boos toen hij, de dag van onze verhuizing van de wijk Biest naar Leuken, er zo maar
vandoor ging omdat hij niet goed tegen verandering kon. Door een fietser werd hij van de Maaslandlaan
geplukt en netjes thuis afgeleverd. Boos maar opgelucht sloot ik hem in mijn armen en we besloten het
er maar niet meer over te hebben.
De dag nadat zijn ogen me hadden gevraagd om het nog één keer te proberen, namen we afscheid van
elkaar. Voorgoed. Duuk, onze Border Terriër, is niet meer.
Onze mooiste herinneringen samen liggen in het Duukiebos; het stuk bos links naast de urnenvelden, dat
we naar hem vernoemden. Het Saartjebos - van hondje Saar namen we anderhalf jaar geleden afscheid
- ligt bij de Budeler Bergen. En ons allereerste zelfbenoemde hondenbos, het Puckiebos, is een gedeelte
in het Weerterbos.
Ooit komt er weer een zelfbenoemd hondenbos bij in ’t Weerterland.
Tot die tijd zal een wandeling geen echte wandeling zijn...
Suzanne Wolter
Tot precies aan het einde van onze oprit kwamen we,
toen ging het niet meer. Met vochtige ogen keek hij me aan
en we gingen terug naar binnen.
39
Over échte liefde en
zelfbenoemde bossen